ECLI:NL:CRVB:2018:4279
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuiskosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant en zijn gezin ontvingen bijstand en verhuisden in 2013 van een asielzoekerscentrum naar een woning, waarvoor bijzondere bijstand werd toegekend voor woninginrichting. In 2016 verhuisden zij opnieuw en appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuiskosten. Het college wees dit af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet kon reserveren vanwege afbetalingsverplichtingen en dat de kosten voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden. De Raad oordeelde dat verhuiskosten als incidenteel noodzakelijke kosten uit de bijstandsnorm moeten worden betaald, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.
De Raad stelde vast dat de verhuizing voorzienbaar was sinds 2013 en dat appellant in 2014 en 2015 duurzame goederen aanschafte, ondanks dat hij al in 2013 bijzondere bijstand voor woninginrichting had ontvangen. Hierdoor bracht appellant zichzelf in de positie dat hij niet kon reserveren. Het beslag op zijn reserveringscapaciteit werd niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt.
Ook het beleid van het college dat de aanschaf van gebruiksgoederen als noodzakelijke kosten kan gelden, leidde niet tot een andere uitkomst. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor verhuiskosten wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.