ECLI:NL:CRVB:2023:1901
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wegens voorzienbaarheid en reserveringscapaciteit
Appellante ontving bijstand en vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuis- en inrichtingskosten nadat zij uit de woning van haar vader was gezet en een zelfstandige woning had geaccepteerd. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat appellante volgens hen voor deze kosten had kunnen reserveren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de besluiten in stand.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de kosten niet voorzienbaar waren en dat zij vanuit haar bijstandsinkomen geen financiële ruimte had om te reserveren. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat verhuizing wel degelijk voorzienbaar was, gelet op eerdere gesprekken en omstandigheden rondom het vertrek van haar vader. Tevens is volgens vaste rechtspraak de bijstand, ook met de kostendelersnorm, in beginsel toereikend om te reserveren.
De Raad benadrukt dat eigen keuzes van betrokkene die beslag leggen op de reserveringscapaciteit niet kunnen worden afgewenteld op de bijstand. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet kon reserveren. Ook interne adviezen die anders suggereren, kunnen geen gerechtvaardigde verwachtingen scheppen. Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en blijven de besluiten tot afwijzing van bijzondere bijstand in stand.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wordt bevestigd omdat de verhuizing voorzienbaar was en appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet kon reserveren.