ECLI:NL:CRVB:2018:436
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering na beëindiging dienstverband tijdens ziekte
Appellante heeft een vaststellingsovereenkomst ondertekend waarin zij akkoord ging met de beëindiging van haar dienstverband per 13 juli 2015, terwijl zij ziek was sinds 23 februari 2015. Hierdoor heeft zij haar aanspraken op loon jegens haar werkgever opgegeven.
Het UWV weigerde de Ziektewetuitkering omdat appellante onnodig een beroep deed op de wet. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat zij verwijtbaar handelde door de vaststellingsovereenkomst te sluiten tijdens ziekte.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij onder onevenredige druk van haar werkgever stond en dat zij mogelijk niet ziek was op het moment van beëindiging. De Raad oordeelde dat de elektronische berichten onvoldoende bewijs boden voor druk en dat de ziekmelding door de werkgever plausibel was.
De Raad kwalificeerde het handelen van appellante als een benadelingshandeling in de zin van artikel 45 ZW Pro, waarbij zij haar loonrechten prijsgaf terwijl het arbeidsongeschiktheidsrisico al was ingetreden. Dit leidt tot een blijvende weigering van de uitkering wegens verwijtbaarheid.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.