Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.002,-;
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een hoger beroep van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland die een bestuurlijke boete wegens vermeende onjuiste woonplaatsregistratie in het kader van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) heeft vernietigd.
De boete was opgelegd omdat betrokkene volgens een uitwonendencontrole niet woonde op het adres waar zij in de basisregistratie personen (BRP) stond ingeschreven. De rechtbank oordeelde dat de boete onterecht was opgelegd voor de periode vóór 22 oktober 2014 omdat geen onderzoek was gedaan naar die periode en het wettelijk vermoeden niet kon worden toegepast.
In hoger beroep stelde appellant dat het wettelijk vermoeden niet in strijd is met het EVRM en dat betrokkene tegenbewijs had kunnen leveren. De Raad oordeelde dat het onderzoek niet als bewijs kon dienen omdat het was uitgevoerd door zelfstandigen zonder personeel, maar dat de erkenning van betrokkene dat zij niet op het BRP-adres woonde wel als bewijs kon worden gebruikt, mits zij correct was geïnformeerd over onrechtmatig verkregen bewijs en haar rechten.
De Raad concludeerde dat betrokkene voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet de gehele periode niet op het BRP-adres woonde, waardoor redelijke twijfel aan het wettelijk vermoeden was gerezen. Hierdoor kon de boete niet worden opgelegd voor de periode voorafgaand aan 22 oktober 2014. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbeterde motivering. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De boeteoplegging wordt vernietigd voor de periode voorafgaand aan 22 oktober 2014 vanwege redelijke twijfel aan het wettelijk vermoeden.