Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van de Wajong 2010, waarbij hij stelde dat hij in het jaar voorafgaand aan zijn ziekte studerend was geweest. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant na de wachttijd meer dan 75% van het minimumloon verdiende. In hoger beroep werd vastgesteld dat appellant weliswaar een opleiding op Curaçao had gevolgd, maar dat hij in die periode geen ingezetene van Nederland was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de eis van ingezetenschap geldt gedurende de studieperiode voorafgaand aan de ziekte, conform artikel 1:2 en Pro 2:3 van de Wajong 2010 en de wetsgeschiedenis. Omdat appellant pas in december 1998 naar Nederland kwam en daarvoor op Curaçao woonde, voldeed hij niet aan deze ingezetenschapvereiste.
Hierdoor kon appellant niet als jonggehandicapte worden aangemerkt en was de weigering van de Wajong-uitkering terecht. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Wajong-uitkering is terecht geweigerd omdat appellant niet als ingezetene in Nederland studeerde.