ECLI:NL:CRVB:2018:577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoeken om voorlopige voorziening in zaak persoonsgebonden budget langdurige zorg
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen besluiten van het Zorgkantoor inzake het persoonsgebonden budget (pgb) voor de jaren 2016 en 2017. Het Zorgkantoor had het pgb voor 2016 en 2017 vastgesteld, waarbij bezwaar en beroep werden ingesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaar van 2017 gegrond wegens onvoldoende medisch deskundig onderzoek, waarna het Zorgkantoor opnieuw besliste. Verzoekster vorderde een voorlopige voorziening om het pgb te verhogen, stellende dat het toegekende budget onvoldoende was voor noodzakelijke zorg.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat het ging om een afgesloten periode in het verleden en terugwerkende kracht niet mogelijk is. Ook was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verzoekster financieel in een zodanige situatie verkeerde dat de procedure niet kon worden afgewacht. Het Zorgkantoor had bovendien bereidheid getoond het pgb voor 2017 te verhogen indien verzoekster een onderbouwing gaf, wat niet is gebeurd.
De voorzieningenrechter wees voorts op vaste rechtspraak dat een voorlopige voorziening niet bedoeld is om de hoofdzaak te bespoedigen. De verzoeken werden dan ook kennelijk ongegrond verklaard en buiten zitting afgewezen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.