ECLI:NL:CRVB:2018:580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beslag op WW-uitkering en medewerkingsplicht van het UWV bij executoriaal beslag
Appellant ontvangt sinds oktober 2014 een WW-uitkering. In februari 2015 heeft een deurwaarderskantoor namens het UWV executoriaal beslag gelegd op deze uitkering met een beslagvrije voet van €432,40 per vier weken. Het UWV informeerde appellant over het beslag en de gevolgen daarvan. Later is het beslag opgeheven nadat de schuld was afbetaald.
Appellant maakte bezwaar tegen het beslagbesluit, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat het UWV niet bevoegd is om de geldigheid van het beslag te beoordelen en dat appellant zich tot de beslaglegger moet wenden bij onenigheid over de beslagvrije voet. Appellant stelde dat hij niet alle stukken had ontvangen en dat hem daardoor een rechtsmogelijkheid was ontnomen.
De Raad oordeelt dat het UWV gehouden is volledige medewerking te verlenen aan het beslag zonder de geldigheid te toetsen. De onzorgvuldigheid omtrent het niet ontvangen van stukken kon worden gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro omdat appellant hierdoor niet is benadeeld. Wel is vastgesteld dat appellant onterecht geen vergoeding van griffierecht kreeg, en dat de kosten van door een niet-beroepsmatige rechtsbijstandverlener verleende rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking komen.
De Raad vernietigt het deel van de uitspraak dat het griffierecht niet werd vergoed, veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten van €50,24 en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €169,-.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, terwijl het beslagbesluit wordt bevestigd.