Uitspraak
16.2018 WW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
genoemde periodes;
in totaal € 169,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 3 januari 2011 een WW-uitkering die met ingang van 2 februari 2014 eindigde. Het Uwv trok de uitkering in en vorderde terug wegens het langdurig verblijf van appellant in Indonesië en het verrichten van werkzaamheden voor stichtingen, zonder dit te melden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant geen toestemming had gevraagd en het verblijf niet van beperkte duur was.
In hoger beroep stelde appellant dat hij vrijwilligerswerk verrichtte dat hij had gemeld aan het Uwv en dat hij slechts vakanties in Indonesië doorbracht. Het Uwv wijzigde zijn standpunt en reconstrueerde het verblijf op basis van pinbetalingen en andere gegevens, wat leidde tot een lager terugvorderingsbedrag.
De Raad oordeelde dat het onderzoek van het Uwv rechtmatig was en dat appellant de mededelingsplicht had geschonden door het niet melden van zijn verblijf en werkzaamheden. De Raad verwierp het beroep tegen het bestreden besluit omdat het was gebaseerd op onjuiste aannames over onafgebroken verblijf, maar stelde het terugvorderingsbedrag vast op €44.734,02. Het besluit en de eerdere uitspraak werden vernietigd en de Raad bepaalde dat het Uwv de proceskosten van appellant moest vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het terugvorderingsbedrag vastgesteld op €44.734,02.