Uitspraak
mr. Van Waegeningh en mr. C. Dijkshoorn-Boender.
Centrale Raad van Beroep
Appellante werd in april 2010 aangesteld als rechterlijk ambtenaar in opleiding (raio) en doorliep diverse basis- en verdiepingsstages met wisselende beoordelingen. Hoewel zij enkele onderdelen met voldoende afrondde, kreeg zij uiteindelijk een eindoordeel met een score B (onvoldoende) voor haar verdiepingsstage. Haar verzoek tot wijziging van functiekeuze werd afgewezen omdat dit niet tijdig was ingediend en zij niet overtuigend kon aantonen dat een andere functie beter bij haar kwaliteiten paste.
De opleiding van appellante werd beëindigd op grond van het beleid dat bij een tweede onvoldoende beoordeling beëindiging volgt. De Raad oordeelde dat de beoordeling op voldoende gronden berustte, objectief was en dat er geen sprake was van tekortkomingen in de opleiding. Ook de aanstelling van appellante werd beëindigd omdat de grondslag daarvoor was vervallen.
De Raad verwierp alle bezwaren van appellante, waaronder de stelling dat een opleider niet gecertificeerd was en dat de beoordelingscriteria niet passend waren. De Raad bevestigde dat de opleiding en beoordeling conform de geldende regels en beleid waren uitgevoerd. Het beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van opleiding en aanstelling gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van haar opleiding en aanstelling gehandhaafd.