ECLI:NL:CRVB:2018:626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- E.C.R. Schut
- J.L. Boxum
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens schending inlichtingenverplichting over BV
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en was directeur en enig aandeelhouder van een BV waarvan hij aanvankelijk verklaarde dat deze niet actief was. Het college stelde een onderzoek in nadat bleek dat de BV wel actief was en vroeg om financiële gegevens van de BV, die appellant niet volledig verstrekte. Hierdoor kon het college het recht op bijstand niet vaststellen en trok de bijstand in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank vernietigde deels de besluiten en stelde de boete lager vast, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door niet alle gevraagde gegevens over de BV te overleggen. Dit was noodzakelijk vanwege de verstrengeling tussen appellant en de BV.
De Raad bevestigde dat de intrekking van de bijstand terecht was en dat de boete van €5.400 passend was, omdat sprake was van gewone verwijtbaarheid en geen reden was voor matiging. Het beroep tegen de besluiten werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de boete van €5.400 wegens schending van de inlichtingenverplichting worden bevestigd.