ECLI:NL:CRVB:2018:683
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging herzieningsbesluit studiefinanciering wegens onvoldoende feitelijke grondslag
Appellant ontving studiefinanciering als uitwonende student vanaf 1 februari 2015. De minister voerde een huisbezoek uit op het geregistreerde adres van appellant, waarna op basis van de bevindingen de studiefinanciering werd herzien en teruggevorderd, omdat appellant als thuiswonend werd aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de bevindingen van het huisbezoek onrechtmatig waren verkregen en daarom niet als bewijs konden dienen. De minister erkende dat het huisbezoek was uitgevoerd door onbevoegde controleurs en baseerde het besluit vervolgens uitsluitend op reisgegevens van appellant.
De Raad oordeelde dat reisgegevens slechts in uitzonderlijke gevallen een toereikende feitelijke grondslag kunnen vormen voor een herzieningsbesluit. In deze zaak was dat niet het geval, mede omdat de reisgegevens slechts een korte periode besloegen en geen gebruikelijk reispatroon konden aantonen. Hierdoor ontbrak een voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de minister dat appellant niet op het brp-adres woonde.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het eerdere besluit van 23 oktober 2015 wegens strijd met het motiveringsbeginsel en het ontbreken van een deugdelijke feitelijke grondslag. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van studiefinanciering wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag.