Uitspraak
16.6356 WW
30 augustus 2016, 16/2586 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WW-uitkering die per 2 december 2013 werd beëindigd wegens het verstrijken van de maximale duur. Na beëindiging van een Ziektewetuitkering verzocht appellant om herleving van de WW-uitkering per 12 november 2015, wat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en wees het verzoek tot aanhouding af.
In hoger beroep stelde appellant dat hij ten onrechte niet was gehoord en dat zijn belangen werden geschaad door de afwijzing van het verzoek tot aanhouding. De Raad overwoog ambtshalve of appellant voldoende procesbelang had, hetgeen vereist is om tot inhoudelijke beoordeling over te gaan.
De Raad concludeerde dat appellant geen inhoudelijke gronden had aangevoerd tegen het standpunt dat hij geen aanspraak meer had op een WW-uitkering en dat het ontbreken van een hoorzitting dit niet wijzigde. De brief van het UWV die appellant overlegde was onvoldoende toegelicht en appellant verscheen niet ter zitting. Omdat appellant met zijn gronden niet het beoogde resultaat kon bereiken, ontbrak het aan procesbelang en werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.