ECLI:NL:CRVB:2018:722
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een adres met haar twee kinderen. De vader van haar kinderen, Z, stond tot januari 2009 op hetzelfde adres ingeschreven, maar verhuisde daarna naar een ander adres. Na een anonieme tip startte de gemeente Emmen een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Uit waarnemingen, dossieronderzoek en verhoren bleek dat Z sinds 1 april 2011 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, wat betekent dat appellante en Z een gezamenlijke huishouding voerden.
Het college trok daarom de bijstand met ingang van 1 april 2011 in en vorderde terugbetalingen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij de inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding. Appellante voerde in hoger beroep aan dat Z geen hoofdverblijf had op het adres en dat zij onder druk verklaringen hadden afgelegd, maar deze stellingen werden niet onderbouwd.
De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen voldoende waren en dat de eerdere strafrechtelijke uitspraak over een deelperiode niet leidde tot een ander oordeel. Appellante kon niet aantonen dat de situatie na 19 januari 2016 was gewijzigd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de bijstand en terugvordering bevestigd.