ECLI:NL:CRVB:2011:BP5715
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf maart 2002 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na een onderzoek door de Sociale verzekeringsbank (Svb) en sociale recherche, waarbij onder meer dossieronderzoek, getuigenverhoren en verklaringen werden verzameld, stelde de Svb vast dat appellante en de betrokkene vanaf april 2005 een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van appellante.
Op basis hiervan trok de Svb bij besluit van 3 augustus 2007 de nabestaandenuitkering met ingang van 1 mei 2005 in. Het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard en de rechtbank Utrecht bevestigde dit in haar uitspraak van 23 september 2008. Appellante stelde daarop hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad beoordeelde of appellante en de betrokkene hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en of zij zorg droegen voor elkaar door middel van financiële of andere bijdragen aan de huishouding. De Raad concludeerde dat ondanks inschrijving op verschillende adressen, sprake was van feitelijke samenwoning in de woning van appellante. Dit werd ondersteund door een ondertekende verklaring van de betrokkene en verklaringen van derden.
Ook was er sprake van wederzijdse verzorging, onder meer door een lening van €20.000, gezamenlijke kosten voor vakanties en huishoudelijke taken. De Raad wees erop dat het oordeel van de strafrechter niet bindend is in bestuursrechtelijke procedures. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de nabestaandenuitkering bevestigd.