ECLI:NL:CRVB:2018:845
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd verdacht van het verzwegen van een gezamenlijke huishouding met haar partner [X]. Uit een uitgebreid onderzoek, waaronder huisbezoek, verhoren en buurtonderzoek, bleek dat zij beiden hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres.
Het college beëindigde de bijstand en vorderde de kosten terug over de periode dat de gezamenlijke huishouding niet was gemeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onvoldoende feitelijke grondslag bood en onvolledig was omdat geen onderzoek op het adres van [X] had plaatsgevonden.
De Raad oordeelde dat de verklaringen, waarnemingen en buurtonderzoek voldoende aannemelijk maken dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding op het uitkeringsadres. Het ontbreken van onderzoek op het adres van [X] was niet relevant omdat hij vrijwel nooit thuis was en meestal bij zijn moeder verbleef. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.