ECLI:NL:CRVB:2018:891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.M.G. Hink
- A. Stehouwer
- M. Schoneveld
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen onroerend goed in Turkije
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB sinds 4 oktober 2012. Naar aanleiding van een anonieme melding over bezit van onroerend goed in Turkije stelde de gemeente Zaanstad een onderzoek in. Uit taxatierapporten en onderzoek bleek dat appellant eigenaar was van meerdere onroerende zaken met een aanzienlijke waarde.
Het college trok de bijstand met ingang van 4 oktober 2012 in en vorderde de kosten van bijstand terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. Appellanten voerden aan dat zij feitelijk niet konden beschikken over het onroerend goed en dat de waarde lager was dan vastgesteld. Tevens stelden zij dat de woningen en werkplaats waren overgedragen.
De Raad oordeelde dat het eigendom in officiële registers stond en dat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij niet konden beschikken over het onroerend goed. De taxatie door het IBF werd als deugdelijk beoordeeld, en de lagere taxatie van appellanten werd niet gevolgd. Omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld en appellanten onvoldoende gegevens over overdracht en inkomsten leverden, was intrekking en terugvordering terecht.
De Raad wees ook het beroep op een onafhankelijke deskundige af, omdat het onderzoek zorgvuldig was. De lange duur van het onderzoek gaf geen aanleiding tot matiging van de terugvordering. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep van appellanten werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen onroerend goed in Turkije wordt bevestigd.