ECLI:NL:CRVB:2018:949
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens verzwegen gezamenlijke huishouding zonder verminderde verwijtbaarheid
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en heeft niet gemeld dat zij van 13 oktober 2014 tot 20 januari 2015 een gezamenlijke huishouding voerde met de vader van haar kinderen. Het college legde haar daarom een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand onherroepelijk is, maar dat dit niet betekent dat de feiten ook onherroepelijk vaststaan. De schending van de inlichtingenplicht staat echter vast. Appellante voerde aan dat sprake zou zijn van verminderde verwijtbaarheid omdat het voor haar niet duidelijk was dat zij een gezamenlijke huishouding voerde, maar dit verweer faalt omdat zij uitdrukkelijk was gewezen op haar meldingsplicht.
De boete is vastgesteld op basis van normale verwijtbaarheid en rekening houdend met haar draagkracht. De Raad wijst op de wijziging in de afrondingsregels van de boete, maar oordeelt dat de vastgestelde boete van €1.160,- evenredig is. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De boete van €1.160,- wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding wordt bevestigd zonder verminderde verwijtbaarheid.