ECLI:NL:CRVB:2019:1042
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies recht op ziekengeld na eerstejaars ZW-beoordeling wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellant, voormalig lasser, meldde zich ziek wegens een myocardinfarct en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een Eerstejaars ZW-beoordeling stelde het Uwv vast dat appellant met inachtneming van beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) ten minste 88,27% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd per 3 juni 2016.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat het Uwv onvoldoende rekening hield met zijn verslechterde hartfunctie, verminderde inspanningstolerantie en dat uitslagen van holteonderzoeken niet waren afgewacht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsartsen hadden voldoende medische informatie, waaronder van cardiologen, betrokken en hadden de beperkingen adequaat vastgesteld. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid en de geschiktheid van de functies.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het besluit van het Uwv en de uitspraak van de rechtbank dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd per 3 juni 2016.