ECLI:NL:CRVB:2019:1054
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ANW-uitkering na intrekking wegens arbeidsongeschiktheid
Appellante, weduwe van een overleden echtgenoot, vroeg een ANW-uitkering aan die met terugwerkende kracht werd toegekend maar vervolgens werd ingetrokken wegens een vermindering van haar arbeidsongeschiktheid tot onder 45%.
Na een nieuwe aanvraag in 2015 wees de Sociale Verzekeringsbank (Svb) deze af, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die rechtvaardigen dat de eerdere besluiten worden herzien. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
De Raad oordeelde dat de medische beoordeling door het UWV in 2012, waaruit bleek dat appellante niet langer arbeidsongeschikt was, niet onjuist was. Nieuwe medische stukken uit latere jaren gaven geen aanleiding om het intrekkingsbesluit te herzien.
De Raad benadrukte dat de Svb zich redelijkerwijs kan houden aan het beleid om slechts terug te komen op rechtens onaantastbare besluiten indien deze onmiskenbaar onjuist zijn, wat hier niet het geval was. Het verzoek om herziening werd daarom terecht afgewezen.
De uitspraak bevestigt dat de ANW-uitkering niet eerder dan mei 2011 ingaat en dat appellante geen aanspraak heeft op een uitkering vanaf mei 2015.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Sociale Verzekeringsbank terecht heeft geweigerd terug te komen op eerdere besluiten en dat appellante geen aanspraak heeft op een ANW-uitkering vanaf mei 2015.