ECLI:NL:CRVB:2019:1078
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende feitelijke grondslag voor intrekking en terugvordering bijstand wegens vermeerde werkzaamheden als snorder
Appellanten ontvingen bijstand sinds 2009, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Het dagelijks bestuur stelde op basis van politie-informatie en bankafschriften dat appellant werkzaamheden als snorder verrichtte en daardoor de inlichtingenplicht schond. Dit leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 2012-2016.
De Raad beoordeelde dat de bewijslast bij het dagelijks bestuur lag en dat de verstrekte politiegegevens onvoldoende concreet waren om aannemelijk te maken dat appellant daadwerkelijk als snorder werkte. Registraties en observaties waren te algemeen en er waren geen processen-verbaal. Ook de hoge kilometerstanden en nachtelijke pinbetalingen waren onvoldoende bewijs.
Daarnaast bevestigde een eerder arrest dat appellant niet strafrechtelijk kon worden veroordeeld voor het niet melden van werkzaamheden. Hierdoor ontbrak een feitelijke grondslag voor de intrekking en terugvordering. Ook de afwijzing van bijzondere bijstand op dezelfde grond viel daarmee weg.
De Raad vernietigde de bestreden besluiten en droeg het dagelijks bestuur op nieuwe besluiten te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten en werd bepaald dat tegen nieuwe besluiten alleen beroep bij de Raad mogelijk is.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens vermeende werkzaamheden als snorder worden vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag.