ECLI:NL:CRVB:2019:1087
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende grondslag over tussenliggende periode
Appellant ontving van 1994 tot 2005 bijstand, die later werd ingetrokken en teruggevorderd door het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch. Dit besluit was gebaseerd op vermoedens dat appellant beschikte over grote contante geldmiddelen die niet waren gemeld, onder meer voor de aankoop en bouw van een woning en aanschaf van auto's.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellant over vermogen beschikte in de betreffende perioden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet beschikte over deze middelen en dat de bewijslast onterecht was omgekeerd voor de periode 1999 tot 2002.
De Raad oordeelt dat voor de periode 1999 tot 10 september 2002 onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor intrekking en terugvordering. De enkele veronderstelling dat geldstromen plotseling opdroogden is onvoldoende bewijs. Voor de andere perioden blijft de intrekking en terugvordering gehandhaafd. Het college wordt opgedragen een nieuwe berekening te maken en een nieuw besluit te nemen, waartegen opnieuw beroep kan worden ingesteld.
De Raad veroordeelt het college in de kosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Hiermee wordt het besluit over de tussenliggende periode vernietigd en het geschil efficiënt voortgezet.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 januari 1999 tot 10 september 2002 wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.