Betrokkene en [X] waren niet meer gehuwd, maar het college stelde dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, wat niet was gemeld, en vorderde daarom bijstandskosten terug. Het college baseerde dit op anonieme meldingen, waarnemingen, getuigenverklaringen en verklaringen van betrokkene en [X].
De rechtbank oordeelde dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende concreet waren om een gezamenlijke huishouding aan te tonen en vernietigde het terugvorderingsbesluit. Het college ging in hoger beroep, maar beperkte dit tot de periode van 1 augustus 2013 tot 3 maart 2016.
De Raad beoordeelde dat de verklaringen en waarnemingen onvoldoende samenhangend bewijs boden. Getuigenverklaringen waren tegenstrijdig of onduidelijk, en de verklaringen van betrokkene en [X] over het verblijf van betrokkene kwamen niet overeen. De Raad concludeerde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat betrokkene zijn hoofdverblijf had in de woning van [X].
Daarom werd het hoger beroep van het college verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.