ECLI:NL:CRVB:2019:1121
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden en financiële ondersteuning
Appellant ontving bijstand sinds 2006 en stond sinds 2012 ingeschreven op een adres waar ook een tattooshop was gevestigd. Na een interne melding startte het college een onderzoek waaruit bleek dat appellant en zijn vriendin X activiteiten verrichtten in een tattooshop in hun woning. Het college concludeerde dat deze werkzaamheden op geld waardeerbaar waren en dat appellant financieel werd ondersteund door X, zonder dit te melden.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het tatoeëren een hobby was zonder vergoeding en dat hij altijd alle informatie had verstrekt. De Raad oordeelde dat de werkruimte en Facebookpagina wezen op commerciële activiteiten en dat appellant en X onvoldoende bewijs leverden dat het om incidentele, onbetaalde werkzaamheden ging.
Verder werd vastgesteld dat appellant onvoldoende inzicht gaf in de financiële ondersteuning door X. De Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de schending van de inlichtingenverplichting een geldige grond is voor intrekking van de bijstand, omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering van kosten worden bevestigd wegens niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden en onvoldoende inzicht in financiële ondersteuning.