ECLI:NL:CRVB:2019:1126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tijdige terugvordering onverschuldigd betaalde woon-werkverkeervergoeding bij ambtenaar
Betrokkene werd benoemd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en ontving naast een dienstauto onterecht een woon-werkverkeervergoeding. De minister vorderde aanvankelijk een bedrag terug, dat later werd aangepast. De rechtbank stelde dat de terugvordering over een kortere periode moest plaatsvinden omdat de onverschuldigde betaling niet enkel door betrokkene was veroorzaakt.
In hoger beroep stelde de minister dat betrokkene zelf verantwoordelijk was voor het stopzetten van de vergoeding en dat het nalaten hiervan als toedoen moet worden aangemerkt, waardoor een terugvordering over vijf jaar rechtvaardig is. De Raad volgde dit standpunt en oordeelde dat betrokkene naliet actie te ondernemen om de vergoeding te beëindigen, ondanks dat hij redelijkerwijs had kunnen weten dat hij hier geen recht meer op had.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. De terugvordering over de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 december 2014 was tijdig en rechtmatig. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De terugvordering van de onverschuldigde woon-werkverkeervergoeding over vijf jaar is tijdig en rechtmatig.