ECLI:NL:CRVB:2019:1141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
WIA-uitkering terecht geweigerd na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, viel in 2006 uit wegens psychische klachten en ontving vanaf 2008 een WGA-uitkering. Na herbeoordeling in 2012 stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor de uitkering werd stopgezet. In 2016 meldde appellante een verslechtering van haar gezondheid, maar het UWV concludeerde na medisch onderzoek dat er geen recht op een WIA-uitkering ontstond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor toegenomen beperkingen. Appellante stelde in hoger beroep dat het beginsel van equality of arms was geschonden omdat zij geen onafhankelijke deskundige kon inschakelen en dat het medisch onderzoek onvoldoende was.
De Raad overwoog dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische informatie aan te dragen, waaronder brieven van haar behandelend psychiaters. Het arrest Korošec verplicht niet tot benoeming van een deskundige als de verzekeringsarts de informatie van behandelend artsen betrekt. Het hoger beroep faalde omdat appellante haar stelling niet met medische gegevens onderbouwde en de rechtbank het medisch onderzoek terecht zorgvuldig vond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 1 januari 2015 en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 1 januari 2015.