ECLI:NL:CRVB:2019:1147
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen op herzieningsbesluit WW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant ontving sinds september 2014 een WW-uitkering. Het UWV herzag deze uitkering over de periode oktober 2014 tot juli 2015 en vorderde een bedrag terug wegens verblijf buiten Nederland. Appellant deed bezwaar en beroep, maar deze werden afgewezen wegens termijnoverschrijding en intrekking. Een verzoek om terug te komen op het herzieningsbesluit werd door het UWV afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV het verzoek terecht had afgewezen. In hoger beroep herhaalde appellant dat er sprake zou zijn van nieuwe feiten, met name identiteitsfraude die in omvang groter zou zijn dan eerder bekend. De Raad overwoog dat identiteitsfraude geen nieuw feit is als het betrekking heeft op de periode vóór het oorspronkelijke besluit en dat appellant geen bewijsstukken had overgelegd ter onderbouwing van de omvang.
De Raad concludeerde dat het UWV het verzoek terecht had afgewezen en dat het besluit niet evident onredelijk was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek van appellant om terug te komen op het herzieningsbesluit WW-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.