ECLI:NL:CRVB:2018:4270
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot terugkomen van terugvorderingsbesluit WW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante ontving sinds november 2011 een WW-uitkering. Het UWV bracht bij besluit van 15 mei 2013 het prepensioen vanaf 2 januari 2012 in mindering op de uitkering en vorderde een bedrag terug. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. In 2016 verzocht zij het UWV terug te komen van dit besluit, wat werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten.
Appellante stelde in hoger beroep dat het prepensioen uit eigen middelen was gefinancierd en verwees naar een eerdere uitspraak van de Raad die het korten niet toestond. De Raad oordeelde dat dit geen nieuw feit is omdat dit al eerder aangevoerd had kunnen worden. Ook de verwijzing naar de eerdere uitspraak van de Raad werd niet als nieuw feit erkend.
De Raad bevestigde dat het UWV het verzoek tot terugkomen mag afwijzen zonder toepassing van artikel 4:5 Awb Pro indien geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, tenzij sprake is van evidente onredelijkheid. Dit laatste was niet het geval. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het terugvorderingsbesluit WW-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.