Uitspraak
18.1341 WSF
mr. G.J.M. Naber.
Centrale Raad van Beroep
Appellante stond ingeschreven op een adres in de basisregistratie personen (brp) en ontving studiefinanciering als uitwonende student. De minister voerde een onderzoek uit, waaronder een huisbezoek op 10 oktober 2016, waaruit bleek dat appellante niet daadwerkelijk op het brp-adres woonde.
De minister herzag daarop de studiefinanciering met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2016 en vorderde een bedrag van €1.240,68 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de minister aannemelijk had gemaakt dat zij niet woonde op het brp-adres en dat het wettelijk vermoeden van niet-wonen vanaf 29 april 2016 tot 10 oktober 2016 van toepassing was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onvolledig was en dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen. De Raad oordeelde dat appellante geen nieuwe gronden had aangevoerd en onderschreef de rechtbank. De onjuiste beschrijving van de badkamer door appellante tijdens het huisbezoek versterkte het oordeel dat zij niet woonde op het brp-adres.
De Raad bevestigde dat de bewijslast voor de periode voorafgaand aan de overtreding bij appellante lag en dat het wettelijk vermoeden terecht werd toegepast. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van studiefinanciering bevestigd.