Appellant, werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Na onderzoek door verzekeringsartsen en een psychiater werd vastgesteld dat appellant leed aan PTSS met psychotische kenmerken en een matig ernstige depressieve stoornis. Een deskundige concludeerde dat appellant halve dagen aangepast werk kon verrichten, ondanks ernstige beperkingen.
Het UWV wees aanvankelijk de uitkering af, maar na bezwaar werd een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van 69,44% vastgesteld met een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellant betwistte dit en stelde dat hij volledig arbeidsongeschikt was vanwege psychische niet-zelfredzaamheid.
De rechtbanken verklaarden het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede en derde besluit ongegrond, waarbij zij het deskundigenrapport onderschreven. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. De Raad oordeelde dat de deskundige voldoende inzicht gaf dat appellant belastbaar was voor halve dagen aangepast werk en dat de beperkingen niet waren onderschat. Er was geen aanleiding om te concluderen dat appellant volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was of recht had op een IVA-uitkering.