ECLI:NL:CRVB:2019:1182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling medische beperkingen en passendheid functies bij ziekengeld na eerste ziektejaar
Appellant, laatstelijk werkzaam als monteur, meldde zich ziek op 14 maart 2014 en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling stelde het UWV vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen met aangepaste functies, waarna het ziekengeld werd beëindigd. Appellant stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn fysieke en mentale beperkingen, waaronder ADHD, knieproblematiek en verslavingsproblematiek.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat had gemotiveerd. De ADHD en knieproblematiek gaven geen aanleiding tot verdergaande beperkingen.
De arbeidsdeskundige verwierp één van de vijf geselecteerde functies, maar de resterende vier functies bleken passend en leverden een verdiencapaciteit op van meer dan 65% van het maatmaninkomen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen. Wel werd het UWV veroordeeld in de proceskosten omdat pas in hoger beroep een afdoende onderbouwing was gegeven. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak werden bevestigd met verbetering van de gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.