Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1270

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 april 2019
Publicatiedatum
11 april 2019
Zaaknummer
17/5297 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant was tot 31 maart 2013 werkzaam als buurthuismedewerker en meldde zich op 19 juni 2015 ziek met fysieke klachten. Hij ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en kwam in aanmerking voor ziekengeld op grond van de Ziektewet. Een verzekeringsarts van het Uwv verklaarde appellant per 18 april 2016 geschikt voor zijn laatst verrichte arbeid, waarna het Uwv het ziekengeld beëindigde. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard door het Uwv en later door de rechtbank Rotterdam.

In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat de verzekeringsartsen de behandelend sector niet hadden geraadpleegd, terwijl hij verwezen was naar een neuroloog en er sprake was van uitgebreide rug- en psychische klachten. Hij overhandigde nieuwe medische stukken ter onderbouwing.

De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het Uwv in hun oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig was. De Raad stelde vast dat er ten tijde van het onderzoek geen behandeling liep die het arbeidsvermogen significant zou beïnvloeden. De medische stukken van appellant gaven geen aanleiding tot twijfel aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die stelde dat appellant ondanks zijn beperkingen zijn werk kon verrichten. De Raad oordeelde dat het hoger beroep ongegrond was en bevestigde de eerdere uitspraak.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van het ziekengeld omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en appellant geschikt werd geacht voor zijn werk.

Uitspraak

17.5297 ZW

Datum uitspraak: 11 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2017, 16/4240 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F. Özer, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Özer en T. Cetin Kaya als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk tot 31 maart 2013 werkzaam geweest als buurthuismedewerker voor 38 uur per week. Op 19 juni 2015 heeft hij zich ziek gemeld met fysieke klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
Op 11 april 2016 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 18 april 2016 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van buurthuismedewerker. Bij besluit van 11 april 2016 heeft het Uwv ziekengeld van appellant met ingang van 18 april 2016 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 17 mei 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat deze artsen de behandelend sector hadden moeten raadplegen omdat hij op 11 april 2016 door zijn huisarts is verwezen naar een neuroloog. De rechtbank heeft verder geen aanleiding gezien de conclusies van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten gemotiveerd toegelicht waarom appellant ondanks zijn rugklachten en incontinentieproblematiek in staat is zijn arbeid in de functie van buurthuismedewerker te verrichten. Ten aanzien van de gestelde psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep genoegzaam onderbouwd dat hiervan geen sprake was op de datum in geding. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant pas geruime tijd na de datum in geding, op 6 juni 2016, te horen heeft gekregen dat zijn dochter ernstig ziek was en dat niet aannemelijk is geworden dat appellant om deze reden op de datum in geding op psychische gronden ongeschikt was om zijn eigen werk te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat appellant op 18 april 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant opnieuw aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Raadpleging van de behandelend sector was aangewezen nu de verzekeringsartsen ervan op de hoogte waren dat hij in verband met toegenomen rugklachten door zijn huisarts was verwezen naar een neuroloog en een behandeling zou worden ingezet. Appellant heeft naar voren gebracht dat zijn behandelaars naast de reeds bekende hernia op niveau L4-L5, ook een hernia op niveau L3-L4 hebben vastgesteld. Op de datum in geding was er voorts sprake van uitgebreidere psychische problematiek. Hierdoor was hij niet geschikt voor zijn eigen werk. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant informatie ingezonden van Calder Werkt en van neuroloog B.W. Smits van 11 april 2017.
3.2.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan: de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van “zijn arbeid” verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven.
4.3.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van een situatie zoals aangehaald in de uitspraak van de Raad van 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863, waarin raadpleging van de behandelend artsen aangewezen werd geacht. In de situatie van appellant was ten tijde in geding geen sprake van een behandeling of van het inzetten van een behandeling, welke een beduidend effect zou kunnen hebben op zijn mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Uit de verwijsbrief van de huisarts blijkt dat de verwijzing naar de neuroloog plaatsvond op verzoek van appellant. Uit de verwijsbrief blijkt niet van een operatie-indicatie volgens de huisarts of van een verslechtering van de bestaande rugproblematiek.
4.4.
De in hoger beroep door appellant ingebrachte medische stukken geven geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat uit de brief van de neuroloog van 11 april 2017 blijkt dat er – anders dan appellant stelt – op niveau L3-L4 geen sprake is van een HNP. Ten aanzien van de psychische problematiek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat er ten tijde van de beoordelingen bij appellant geen sprake was van invaliderende psychische problematiek. Op het spreekuur van de ziektewetarts heeft appellant geen psychische klachten gemeld behalve dat hij zich door de pijn soms depressief kan voelen. Appellant was op dat moment niet onder behandeling voor zijn klachten en bij onderzoek werden geen kenmerken van een stemmings- of depressieve stoornis of andere aanwijzingen voor psychopathologie en/of persoonlijkheidsproblematiek gevonden. De ernstige gezondheidssituatie van de dochter van appellant acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor appellant weliswaar psychisch belastend, maar hiervan was nog geen sprake op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft genoegzaam gemotiveerd dat appellant ondanks zijn beperkingen het eigen werk van buurthuismedewerker kan verrichten, aangezien dit zowel fysiek als mentaal niet zwaar belastend is. Het rapport van Calder Werkt ten slotte, waarin door een arts is vastgesteld dat appellant slechts twaalf uur per week belastbaar is, biedt evenmin aanknopingspunten voor twijfel aan dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dit in het kader van de Participatiewet opgestelde rapport dateert van twee jaar na de datum in geding en geeft geen verdere motivering voor de vastgestelde urenbeperking.
4.5.
De overwegingen 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2019.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) R.P.W. Jongbloed

VC