ECLI:NL:CRVB:2019:1276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig zorgmedewerker, meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg in februari 2016 een WIA-uitkering aan. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat zij 19% arbeidsongeschikt is en nog 81% van haar maatmaninkomen kan verdienen, waarna een WIA-uitkering werd geweigerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het UWV zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en dat de geselecteerde functies passend waren, zonder noodzaak voor intensieve begeleiding of jobcoach. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende gewicht had toegekend aan haar beperkingen en de Wsw-indicatie.
De Raad oordeelt dat de beoordeling zich richt op de situatie op 11 mei 2016, waarbij het UWV terecht rekening hield met een traject bij De Groene Cirkel en dat de medische rapporten de beperkingen adequaat in kaart brachten. De Wsw-indicatie is niet doorslaggevend voor de WIA-beoordeling. De Raad volgt het UWV in de geschiktheid van de geselecteerde functies en bevestigt de eerdere uitspraak, waarmee het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.