ECLI:NL:CRVB:2019:1294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet-melding WW- en TW-uitkering bij bijstandsverlening
Appellant heeft bijstand aangevraagd en ontvangen, maar heeft nagelaten de ontvangen WW- en TW-uitkeringen over de periode van 1 mei 2014 tot en met 14 december 2014 te melden. Het college stelde vast dat hierdoor de inlichtingenverplichting was geschonden en legde een bestuurlijke boete op van €1.164,-. Appellant voerde aan dat hij door het syndroom van Asperger niet in staat was aan deze verplichting te voldoen en dat het college ook verwijtbaar handelde.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aandoening hem verhinderde de melding te doen. Telefonische contacten met de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (SZW) tonen juist aan dat appellant actief contact zocht. Ook was er geen feitelijke grondslag voor het vertrouwen dat het college de inkomsten zelf zou opvragen bij het UWV.
Verder werd geen gedeelde verwijtbaarheid aangenomen, omdat de vertraging in de bijstandverlening losstaat van de schending van de inlichtingenverplichting. De boete werd als evenredig beoordeeld, mede gelet op de draagkracht van appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De boete van €1.164,- wegens het niet melden van WW- en TW-uitkeringen wordt bevestigd.