ECLI:NL:CRVB:2019:1300
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting op AOW-pensioen wegens schuldig nalatig verklaring over jaren 1969-1980
Appellante, geboren in 1948, kreeg vanaf 2013 een AOW-pensioen toegekend. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat zij schuldig nalatig was verklaard voor het niet betalen van AOW-premies over de jaren 1969 tot en met 1980 en deels over 1981. Hierdoor werd haar pensioen in 2015 met 24% verlaagd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze korting ongegrond, omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet schuldig nalatig was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij geen brieven over schuldig nalatig zijn had ontvangen en dat zij in de betreffende jaren geen inkomen had waarover premie verschuldigd was. De Raad oordeelde dat de Svb en rechtbank ten onrechte verwezen naar de Wet financiering sociale verzekeringen, terwijl de schuldig nalatig verklaring in de relevante jaren geregeld was in artikel 33 van Pro de AOW. De Raad stelde vast dat de aangetekende brieven terecht waren verzonden naar adressen waar appellante woonde en dat zij voldoende gelegenheid had gekregen om te reageren.
De Raad concludeerde dat de korting van 24% op het pensioen terecht was toegepast en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De korting van 24% op het AOW-pensioen van appellante wegens schuldig nalatig verklaring over de jaren 1969-1980 is terecht toegepast.