ECLI:NL:CRVB:2019:1314
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-wonen op opgegeven uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en gaf op te wonen bij een derde op een bepaald adres. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de gemeente een onderzoek, waarbij gesprekken, waarnemingen en huisbezoeken plaatsvonden. Uit het onderzoek bleek dat appellant niet op het opgegeven adres woonde.
Het college trok de bijstand per 5 augustus 2016 in wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat het eerste huisbezoek onrechtmatig was en dat zijn verklaringen vanwege een posttraumatische stressstoornis niet betrouwbaar waren.
De Raad oordeelde dat het huisbezoek rechtmatig was omdat er voldoende concrete aanwijzingen waren om aan de juistheid van de opgegeven woonplaats te twijfelen. De verklaringen van appellant werden aan zijn gehouden, ondanks zijn medische toestand. De bevindingen van de huisbezoeken en waarnemingen ondersteunden het oordeel dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de intrekking van de bijstand en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet-wonen op het opgegeven uitkeringsadres wordt bevestigd.