ECLI:NL:CRVB:2019:1315

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 april 2019
Publicatiedatum
16 april 2019
Zaaknummer
17/1859 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 6:22 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling juiste wegingsfactor voor vergoeding kosten bezwaar bijzondere bijstand

Appellante diende op 13 november 2014 een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor rechtsbijstandskosten. Het college stelde deze aanvraag bij besluit van 15 december 2014 buiten behandeling. Na bezwaar verklaarde het college het bezwaar gegrond en kende een beperkte vergoeding toe met toepassing van een wegingsfactor 'licht' (0,5).

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten. Appellante stelde dat de rechtbank ten onrechte de wegingsfactor 'licht' toepaste.

De Raad oordeelt dat het college onterecht de wegingsfactor 'licht' toepaste omdat er geen kenbare administratieve vergissing was die direct duidelijk was voor appellante. De zaak behoort tot de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1). Het bestreden besluit wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van € 512,- voor bezwaar en € 512,- voor hoger beroep, totaal € 1.024,-. Tevens wordt het betaalde griffierecht vergoed.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van € 1.024,- aan kosten en het griffierecht van € 124,- aan appellante.

Uitspraak

17.1859 PW

Datum uitspraak: 16 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
24 januari 2017, 15/2406 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2019. Namens appellante is verschenen mr. Vlieger. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. B.A. Veenendaal.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 13 november 2014 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de (eigen bijdrage in de) kosten van rechtsbijstand.
1.2.
Bij besluit van 15 december 2014 heeft het college die aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld.
1.3.
Bij besluit van 3 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en appellante een bedrag van € 146,- aan bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand toegekend. Daarbij heeft het college onderkend dat de brief waarin appellante verzocht is om nadere gegevens over te leggen en het verzuim te herstellen (verzuimbrief) ten onrechte niet naar mr. Vlieger is gezonden. Het college heeft daarbij aan appellante een bedrag van € 245,- (1 punt, wegingsfactor licht: 0,5) voor in bezwaar gemaakte kosten voor verleende rechtsbijstand vergoed, omdat het een zaak van gering gewicht betreft.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, het college veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep en bepaald dat het college aan appellante het betaalde griffierecht dient te vergoeden. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college de kostenvergoeding in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en heeft dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd. In het bezwaarschrift hoefde slechts vermeld te worden dat het primaire besluit was genomen zonder een verzuimbrief aan de gemachtigde van appellante te versturen.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover het beroep ongegrond is verklaard. Appellante voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een wegingsfactor 0,5 moet worden toegepast voor de kosten van bezwaar.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Uitsluitend in geschil is of het college bij de vaststelling van de hoogte van de bezwaarkostenvergoeding kon volstaan met een wegingsfactor licht als bedoeld in onderdeel C 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4.2.
Ingevolge het Bpb dient bij de berekening van een vergoeding voor de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor te worden toegepast die bepaald wordt door het gewicht van de zaak. In dat verband wordt in het Bpb een onderscheid gemaakt tussen zeer lichte, lichte, gemiddelde, zware en zeer zware zaken, waarvoor wegingsfactoren gelden van onderscheidenlijk 0,25, 0,5, 1, 1,5 en 2.
4.3.
Uit vaste rechtspraak (onder meer de uitspraken van 2 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV3988 en 21 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1148) volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat behandeling van een zaak in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1), tenzij duidelijke redenen aanwezig zijn om hiervan af te wijken. Een andere wegingsfactor dan 1 wordt naar vaste rechtspraak slechts gehanteerd bij een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van het gemiddelde afwijkende zaak. Indien naar het oordeel van het bestuursorgaan sprake is van de categorie licht of zeer licht, dient het bestuursorgaan dit te motiveren.
4.4.
Het college heeft er ter onderbouwing van het bestreden besluit op gewezen dat sprake is geweest van een evidente vergissing door de verzuimbrief niet aan mr. Vlieger te zenden. Met mr. Vlieger is in bezwaar, op een vergelijkbare wijze als in de primaire fase zou zijn gebeurd, ook slechts gesproken over het opsturen van nadere stukken. Gelet hierop stelt het college zich op het standpunt dat de zaak als licht moet worden aangemerkt, zodat wegingsfactor 0,5 van toepassing is.
4.5.
Het onder 4.4 weergegeven standpunt van het college volgt de Raad niet. Ook indien sprake zou zijn van een evidente vergissing om de verzuimbrief niet aan mr. Vlieger toe te zenden, betekent dit niet dat voor appellante aanstonds duidelijk was dat haar aanvraag om bijzondere bijstand om die reden ten onrechte buiten behandeling was gesteld. De situatie van een voor appellante als zodanig kenbare administratieve vergissing doet zich hier niet voor. Het college heeft de buiten behandelingstelling van de aanvraag om bijzondere bijstand ook niet spontaan en evenmin aanstonds na het indienen van het bezwaarschrift ongedaan gemaakt, maar eerst nadat mr. Vlieger een bezwaarschrift en aanvullende stukken had ingediend en nadat hij was uitgenodigd voor een hoorzitting. Er was dan ook geen aanleiding om af te wijken van wegingsfactor 1 (vergelijk de uitspraak van 14 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1016).
4.6.
Uit 4.5 volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met het Bpb moet worden vernietigd, voor zover het de hoogte van de bezwaarkostenvergoeding betreft. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigd moet worden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bepalen dat het college alsnog dient te worden veroordeeld in de kosten van bezwaar tot een bedrag van € 512,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 512,- en een wegingsfactor 1).
5. De Raad ziet tevens aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Aangezien het hoger beroep uitsluitend gericht is tegen de kostenvergoeding in bezwaar merkt de Raad, in lijn met de uitspraak van
7 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3693, de zaak als ‘licht’ aan en past de wegingsfactor 0,5 toe. De kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep worden begroot op twee punten (indienen hoger beroepschrift en verschijnen ter zitting), in totaal € 512,-. Met de voor vergoeding in aanmerking komende kosten in bezwaar is dit een totaal bedrag van € 1.024,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 3 maart 2015 wat betreft de vergoeding van de kosten in bezwaar;
- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-;
- bepaalt dat het college het door appellante betaalde griffierecht in hoger beroep van € 124,-
vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2019.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) L. Hagendijk
md