ECLI:NL:CRVB:2019:1334
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag toilet op eerste verdieping en taxipas voor begeleider in Wmo-zaak bevestigd
Appellante, woonachtig bij haar dochter, vroeg op grond van de Wmo 2015 om diverse voorzieningen, waaronder een toilet op de eerste verdieping en een taxipas voor een begeleider. Het college wees deze aanvragen af, stellende dat een toiletstoel de goedkoopst compenserende voorziening is en dat er geen medische noodzaak is voor een taxipas voor een begeleider.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het advies van de MO-zaak zorgvuldig was en dat appellante onvoldoende onderbouwde dat haar dochter niet in staat was de toiletemmer te legen en schoon te maken. Ook was er geen medische noodzaak voor begeleiding tijdens taxiritten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was, met name vanwege het ontbreken van onderzoek naar haar cognitieve toestand, en dat een toiletstoel geen adequate voorziening is. De Raad oordeelde echter dat het onderzoek zorgvuldig, objectief en inzichtelijk was uitgevoerd, mede door huisbezoeken en medisch advies.
De Raad vond dat appellante onvoldoende bewijs leverde dat haar dochter niet kon helpen bij het legen en reinigen van de toiletemmer en dat deze taken binnen de gebruikelijke hulp van een inwonend volwassen kind vallen. Ook was er geen medische noodzaak voor een taxipas voor een begeleider. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een toilet op de eerste verdieping en een taxipas voor een begeleider.