ECLI:NL:CRVB:2019:1336
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging proportionele eigen bijdrage Wlz ondanks vermogensinkomensbijtelling
Appellant, wonende in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), maakte bezwaar tegen de vastgestelde eigen bijdrage van €2.301,40 per maand voor 2016. Hij voerde aan dat de 8% vermogensinkomensbijtelling in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP), omdat dit leidt tot een individuele en buitensporige last, waardoor hij gedwongen zou worden zijn huis te verkopen.
De Centrale Raad van Beroep verwijst naar eerdere uitspraken waarin dezelfde rechtsvraag werd behandeld voor de jaren 2013 en 2015, waarbij werd geoordeeld dat geen sprake is van schending van artikel 1 EP Pro. De Raad ziet geen nieuwe aanknopingspunten om anders te oordelen voor 2016. De berekening van de eigen bijdrage is wettelijk voorgeschreven en houdt rekening met het vermogen om de bijdrage in overeenstemming te brengen met de financiële situatie van verzekerden.
De Raad benadrukt dat voor verzekerden zonder partner die in het eigen huis woont, en die in een instelling verblijven, een overgangsregeling bestaat om betalingsproblemen te voorkomen. In het geval van appellant is geen bijzondere individuele situatie vastgesteld die een afwijkend oordeel rechtvaardigt. Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Er wordt geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.