Uitspraak
CAK
OVERWEGINGEN
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het inkomen en vermogen, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald.”
Centrale Raad van Beroep
Appellant verblijft in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en is op basis daarvan een eigen bijdrage verschuldigd voor de zorgkosten. Het CAK stelde de eigen bijdrage per 1 januari 2015 vast op € 2.284,60 per maand, waarbij 8% van het vermogen werd betrokken via de vermogensinkomensbijtelling (VIB).
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat de VIB leidt tot een individuele en buitensporige last in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en verwees naar eerdere jurisprudentie van de Raad.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze lijn. De Raad wijst erop dat de wettelijke bepalingen van de Wlz en het Besluit langdurige zorg de grondslag vormen voor de berekening van de eigen bijdrage, waarbij de VIB is opgenomen. De Raad verwijst naar zijn eerdere uitspraak van 6 januari 2016 waarin werd geoordeeld dat de VIB geen schending van artikel 1 EP Pro inhoudt.
De Raad ziet geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel en bevestigt daarom het bestreden besluit. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de eigen bijdrage met toepassing van de vermogensinkomensbijtelling wordt bevestigd.