ECLI:NL:CRVB:2019:1363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens onduidelijke woonsituatie en afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel
Appellant ontving bijstand op basis van inschrijving in de BRP op twee verschillende adressen, maar het college stelde vast dat hij vanaf 15 juni 2015 niet daadwerkelijk op deze adressen verbleef. Na onderzoek door de sociale recherche, waarbij verklaringen van de hoofdbewoners van de betreffende adressen werden verzameld, besloot het college de bijstand met ingang van 15 juni 2015 in te trekken en de ontvangen bedragen terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, omdat het college voldoende gemotiveerd had gehandeld en de onderzoeksbevindingen een betrouwbare basis vormden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er geen volledige heroverweging had plaatsgevonden en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden, omdat hij contact had gehad met een medewerker van het college.
De Raad oordeelde dat de gronden van appellant in wezen een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat het college niet in strijd met het vertrouwensbeginsel had gehandeld, omdat er geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en intrekking bijstand bevestigd wegens onduidelijke woonsituatie en geen schending vertrouwensbeginsel.