ECLI:NL:CRVB:2019:1365
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- J.L. Boxum
- D.L.J. Martens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding met toepassing onweerlegbaar rechtsvermoeden
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij samen met appellant een gezamenlijke huishouding voerde. Dit werd bewezen met verklaringen van appellant en getuigen, en het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding bij samenwonende ouders van kinderen.
Het college trok de bijstand over de periode 2011-2015 in en vorderde de kosten terug wegens het niet melden van de gezamenlijke huishouding. Appellanten betwistten dit, maar konden niet aannemelijk maken dat zij recht hadden op aanvullende bijstand voor gehuwden of dat het teruggevorderde bedrag onjuist was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het college voldoende feiten had verzameld en dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden terecht werd toegepast. De subjectieve gevoelens over samenwonen en het delen van een bed waren niet relevant. De intrekking en terugvordering bleven gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding.