ECLI:NL:CRVB:2019:1405

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 april 2019
Publicatiedatum
24 april 2019
Zaaknummer
19/863 PW
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A. Stehouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Participatiewet
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College mag belastingteruggave als middel betrekken bij bijzondere bijstand woonkosten

Appellant ontvangt bijstand volgens de norm voor een alleenstaande en heeft een eigen woning. Voor de periode van 17 juli 2018 tot en met 31 juli 2019 is bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een woonkostentoeslag van €105,89 per maand. Het college heeft bij de berekening van deze toeslag rekening gehouden met de voorlopige belastingteruggave van €106,58 per maand.

Appellant is het niet eens met deze berekening en stelt dat de voorlopige belastingteruggave niet in mindering mag worden gebracht op de woonkostentoeslag. Tevens vindt appellant dat al zijn individuele kosten moeten worden betrokken bij de berekening, omdat hij niet uitkomt met de toegekende algemene bijstand, woonkostentoeslag, belastingteruggave en zorgtoeslag, waardoor niet wordt voldaan aan artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank Utrecht en bevestigt dat de voorlopige belastingteruggave behoort tot de middelen die in aanmerking moeten worden genomen bij de bijstandsverlening. Het college heeft het beleid neergelegd in de Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht 2016, waarin duidelijk is omschreven welke woonkosten in aanmerking komen. Appellant heeft de berekening van het college niet betwist.

De Raad oordeelt dat het standpunt van appellant dat alle individuele kosten moeten worden betrokken bij de bijzondere bijstand voor woonkosten geen grond heeft. De berekening van het college is juist en conform artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet en de vaste rechtspraak. Het hoger beroep wordt afgewezen, en het verzoek tot schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de berekening van de woonkostentoeslag inclusief belastingteruggave wordt bevestigd.

Uitspraak

19.863 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 januari 2019, 18/3363 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 4 april 2019
Zitting heeft: A. Stehouwer als lid van de enkelvoudige kamer.
Griffier: Y. Itkal
Appellant is verschenen ter zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft een eigen woning in eigendom. Ter tegemoetkoming in de woonkosten is aan appellant voor de periode van 17 juli 2018 tot en met 31 juli 2019 bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag toegekend ter hoogte van € 105,89 per maand. Voor de berekening van de hoogte van deze toeslag heeft het college rekening gehouden met de aan appellant toegekende voorlopige belastingteruggave van omgerekend € 106,58 per maand.
2. Appellant is het niet eens met de berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag. Volgens appellant mag de voorlopige belastingteruggave niet in mindering worden gebracht op de woonkostentoeslag. Daarnaast moeten al zijn individuele kosten worden betrokken bij de berekening. Appellant komt niet uit met de hem toegekende algemene bijstand, de woonkostentoeslag, de voorlopige belastingteruggave en de zorgtoeslag, zodat niet wordt voldaan aan artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet.
3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. De rechtbank heeft in zijn uitspraak terecht overwogen dat de voorlopige belastingteruggave behoort tot de middelen die voor de bijstandverlening in aanmerking moeten worden genomen. De Raad heeft dat al meermaals in uitspraken bevestigd, zoals recent nog in de uitspraak van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:743, te vinden op www.rechtspraak.nl. Het college heeft dan ook terecht de voorlopige belastingteruggave als inkomsten in mindering gebracht op de woonkostentoeslag.
4. Het gaat in dit geding niet om de algemene bijstand voor de kosten van levensonderhoud maar om een besluit over het toekennen van bijzondere bijstand voor woonkosten. Voor het standpunt van appellant, dat al zijn individuele kosten van het bestaan moeten worden betrokken bij de berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag, bestaat geen grond. Artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet ziet niet op de algemene bijstand maar op bijzondere bijstand. Het college heeft zijn beleid over de toekenning van bijzondere bijstand neergelegd in de Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht 2016 (Richtlijnen). In artikel 8, vierde lid onder b, van deze Richtlijnen is neergelegd wat onder woonkosten van de eigen woning moet worden verstaan. Het gaat hierbij kortgezegd om de maandelijkse hypotheekrente, de in verband met het eigendom van de woning te betalen zakelijke lasten en een bedrag voor onderhoud. Uit de door het college opgestelde berekening blijkt dat het college deze posten heeft betrokken. Appellant heeft de berekening op zichzelf ook niet betwist. Voor het betrekken van andere (individuele) kosten van bestaan bestaat in het kader van het vaststellen van bijzondere bijstand voor woonkosten in dit geval geen ruimte.
5. Dat appellant met de aan hem verleende algemene bijstand, de woonkostentoeslag, de voorlopige belastingteruggave en de zorgtoeslag niet uitkomt, betekent niet dat de berekening van de woonkostentoeslag onjuist is. Zoals hiervoor uiteengezet, heeft het college de hoogte van de woonkostentoeslag overeenkomstig artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet, de vaste rechtspraak van de Raad en het beleid zoals neergelegd in de Richtlijnen berekend. Niet is gebleken dat deze berekening onjuist is.
6. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen grond en behoeven de overige door appellant geformuleerde eisen geen bespreking.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) Y. Itkal (getekend) A. Stehouwer