ECLI:NL:CRVB:2019:1405
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
College mag belastingteruggave als middel betrekken bij bijzondere bijstand woonkosten
Appellant ontvangt bijstand volgens de norm voor een alleenstaande en heeft een eigen woning. Voor de periode van 17 juli 2018 tot en met 31 juli 2019 is bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een woonkostentoeslag van €105,89 per maand. Het college heeft bij de berekening van deze toeslag rekening gehouden met de voorlopige belastingteruggave van €106,58 per maand.
Appellant is het niet eens met deze berekening en stelt dat de voorlopige belastingteruggave niet in mindering mag worden gebracht op de woonkostentoeslag. Tevens vindt appellant dat al zijn individuele kosten moeten worden betrokken bij de berekening, omdat hij niet uitkomt met de toegekende algemene bijstand, woonkostentoeslag, belastingteruggave en zorgtoeslag, waardoor niet wordt voldaan aan artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank Utrecht en bevestigt dat de voorlopige belastingteruggave behoort tot de middelen die in aanmerking moeten worden genomen bij de bijstandsverlening. Het college heeft het beleid neergelegd in de Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht 2016, waarin duidelijk is omschreven welke woonkosten in aanmerking komen. Appellant heeft de berekening van het college niet betwist.
De Raad oordeelt dat het standpunt van appellant dat alle individuele kosten moeten worden betrokken bij de bijzondere bijstand voor woonkosten geen grond heeft. De berekening van het college is juist en conform artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet en de vaste rechtspraak. Het hoger beroep wordt afgewezen, en het verzoek tot schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de berekening van de woonkostentoeslag inclusief belastingteruggave wordt bevestigd.