ECLI:NL:CRVB:2023:1954
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- M.F. Wagner
- M. ter Brugge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bijstandsnorm voor gehuwde met niet-rechthebbende partner volgens Participatiewet
Appellant, gehuwd met een niet-rechthebbende partner die in Marokko woont, vroeg om bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Het college kende hem bijstand toe ter hoogte van 50% van de norm voor gehuwden, omdat zijn partner niet in Nederland woonde. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van de bijstand en vorderde een verhoging tot 70% van het wettelijk minimumloon, de norm voor alleenstaanden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit van het college in stand. In hoger beroep stelde appellant dat er sprake was van bijzondere omstandigheden die een individuele afstemming van de bijstandsnorm rechtvaardigen. De Raad beoordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij financieel tekortkwam of dat er bijzondere omstandigheden waren die een afwijking van de dwingende norm van 50% rechtvaardigen.
De Raad overwoog dat de toepassing van Nibudnormen geen individuele beoordeling is en dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij geen reserveringsruimte had. Ook het beroep op het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro leidde niet tot een andere uitkomst. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af, waarbij appellant geen proceskostenvergoeding kreeg.
Uitkomst: De bijstandsnorm van 50% van de gehuwdennorm wordt bevestigd; geen recht op verhoging wegens ontbreken van zeer bijzondere omstandigheden.