ECLI:NL:CRVB:2019:1443

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 april 2019
Publicatiedatum
29 april 2019
Zaaknummer
17/5732 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging gedeeltelijke afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten

Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten van zijn woning. Het bestuur wees deze aanvraag af omdat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die deze kosten noodzakelijk maakten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en paste artikel 6:22 Awb Pro toe vanwege een aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd besluit van het bestuur.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de kosten voor woninginrichting normaal gesproken uit het inkomen of door reservering moeten worden voldaan. Appellant had volgens de Raad voldoende gelegenheid gehad om te reserveren, mede gezien eerdere bijstandsperiodes. Argumenten over de noodzaak vanwege stofallergie van zijn dochter, het onderhoud van een niet-rechthebbende echtgenote en schulden weerhouden de Raad ervan bijzondere omstandigheden aan te nemen.

Wel oordeelt de Raad dat de rechtbank ten onrechte het bestuur niet heeft veroordeeld in de proceskosten van appellant, omdat het bestuur het besluit aanvankelijk onvoldoende motiveerde. Daarom vernietigt de Raad dit deel van het vonnis en veroordeelt het bestuur tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep.

Uitkomst: Het bestuur wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellant en het griffierecht wordt vergoed; het overige van het bestreden besluit blijft gehandhaafd.

Uitspraak

17.5732 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 juli 2017, 16/7727 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het Drechtstedenbestuur (bestuur)
Datum uitspraak: 16 april 2019
Zitting heeft: Y.J. Klik, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: A.A.H. Ibrahim
Partijen zijn niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij geen proceskostenveroordeling is
uitgesproken;
- veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.536,-;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- bepaalt dat het bestuur aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 170,- vergoedt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellant ontvangt sinds 7 juli 2016 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 15 augustus 2016 heeft appellant bij het bestuur een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor inrichtingskosten, waaronder de kosten voor stoffering. Het bestuur heeft deze aanvraag bij besluit van 15 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 november 2016 (bestreden besluit), afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij toepassing gegeven aan
artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het bestuur eerst in beroep het bestreden besluit van een toereikende motivering heeft voorzien.
Kosten van inrichting van een woning behoren, indien zij noodzakelijk zijn, tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen van de betrokkene hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit het inkomen op bijstandsniveau en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Een aanvrager dient in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die nopen tot inwilliging van de aanvraag.
Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd, zich voordeden en dat die kosten in het individuele geval van appellant noodzakelijk waren. Tussen partijen is in geschil of is voldaan aan het vereiste dat de betreffende kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
Appellant had voor de kosten van woninginrichting kunnen reserveren, mede gelet op het feit dat hij in de periodes van 18 juli 2013 tot en met 6 juli 2014 en van 17 juli 2014 tot en met 31 mei 2016 bijstand heeft ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Dat appellant er bijna een jaar over heeft gedaan om de noodzakelijke gebruiksgoederen aan te schaffen, dat de vloer van de woning nog steeds kaal is en dat appellant in verband met de stofallergie van zijn dochter gedwongen was een deken op de vloer te leggen, maakt bezien in het licht van de reserveringsmogelijkheid niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot het verlenen van bijzondere bijstand.
In de door appellant aangevoerde omstandigheid dat hij niet heeft kunnen reserveren, omdat hij van de bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder niet alleen zijn dochter, maar ook zijn niet-rechthebbende echtgenote heeft moeten onderhouden, is geen bijzondere omstandigheid gelegen die de verlening van bijzondere bijstand rechtvaardigt. Zoals de Raad ook in zijn uitspraak van 11 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012: BX7174, heeft overwogen strekt de bijstand tot levensonderhoud van de gerechtigde en niet tot het scheppen van draagkracht ter voorziening in het levensonderhoud van personen die daarin niet betrokken zijn. De kosten die appellant maakt om in het levensonderhoud van zijn echtgenote te voorzien, kunnen daarom niet worden afgewenteld op de PW.
Het betoog van appellant dat hij vanwege zijn schulden niet in staat was te reserveren, slaagt evenmin. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318) kan het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die in het individuele geval bijstandsverlening rechtvaardigt. Schulden, dan wel het ontbreken van voldoende reserveringsruimte als gevolg daarvan, kunnen niet op de PW worden afgewenteld.
De beroepsgrond van appellant dat het bestreden besluit nog steeds niet rust op een deugdelijke motivering en dat de rechtbank om die reden artikel 6:22 van Pro de Awb niet had mogen toepassen, slaagt niet. Uit het ter zitting bij de rechtbank door het bestuur overgelegde overzicht van Suwinet blijkt weliswaar, zoals appellant terecht heeft opgemerkt, niet hoeveel bijstand appellant in de periode van 18 juli 2013 tot en met 31 januari 2014 maandelijks precies heeft ontvangen, omdat dit niet in Suwinet is vermeld. Ook voor die periode geldt echter dat appellant van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam bijstand heeft ontvangen naar de voor hem op dat moment geldende norm.
De beroepsgrond dat de rechtbank het bestuur ten onrechte niet heeft veroordeeld in de proceskosten, slaagt wel. De rechtbank had in het toepassen van artikel 6:22 van Pro de Awb aanleiding moeten zien voor de vergoeding van de proceskosten van appellant, nu het bestreden besluit door het bestuur onvoldoende was gemotiveerd. Appellant heeft hiertegen in hoger beroep een grond aangevoerd. Dat appellant wordt geacht bekend te zijn met de financiële gegevens, doet aan het geconstateerde gebrek niet af. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad zal het bestuur veroordelen in de proceskosten van de behandeling van het beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,-.
Aanleiding bestaat ook om het bestuur te veroordelen van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 512,- voor verleende bijstand.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.A.H. Ibrahim (getekend) Y.J. Klik