ECLI:NL:CRVB:2019:1443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging gedeeltelijke afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten van zijn woning. Het bestuur wees deze aanvraag af omdat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die deze kosten noodzakelijk maakten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en paste artikel 6:22 Awb Pro toe vanwege een aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd besluit van het bestuur.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de kosten voor woninginrichting normaal gesproken uit het inkomen of door reservering moeten worden voldaan. Appellant had volgens de Raad voldoende gelegenheid gehad om te reserveren, mede gezien eerdere bijstandsperiodes. Argumenten over de noodzaak vanwege stofallergie van zijn dochter, het onderhoud van een niet-rechthebbende echtgenote en schulden weerhouden de Raad ervan bijzondere omstandigheden aan te nemen.
Wel oordeelt de Raad dat de rechtbank ten onrechte het bestuur niet heeft veroordeeld in de proceskosten van appellant, omdat het bestuur het besluit aanvankelijk onvoldoende motiveerde. Daarom vernietigt de Raad dit deel van het vonnis en veroordeelt het bestuur tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep.
Uitkomst: Het bestuur wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellant en het griffierecht wordt vergoed; het overige van het bestreden besluit blijft gehandhaafd.