ECLI:NL:CRVB:2019:1455
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-verzekering AOW voor medewerker Indonesische ambassade wegens consulaire status
Appellante, geboren in 1950 in Indonesië en sinds 1971 woonachtig in Nederland, werkte van 1978 tot 2009 als administratief medewerker bij de Indonesische ambassade in Den Haag. Zij had de geprivilegieerdenstatus en vroeg in 2014 een AOW-pensioen aan. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende haar een gedeeltelijk pensioen toe vanaf 2015, maar sloot de periode van haar ambassadewerk uit vanwege haar niet-verzekerde status.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat op grond van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen en het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen appellante terecht niet verzekerd was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij op grond van ingezetenschap verzekerd moest zijn en dat zij door de uitsluiting werd gediscrimineerd.
De Raad oordeelde dat de uitsluiting terecht was vanwege haar werkzaamheden bij de ambassade en de consulaire status, waarbij het overgangsrecht en eerdere besluiten in acht werden genomen. Het beroep op discriminatie faalde omdat het onderscheid een redelijke grond had, namelijk het voorkomen van samenloop van sociale zekerheidsregelingen en het waarborgen van de onafhankelijkheid van diplomatiek personeel.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet verzekerd is voor de AOW over de periode 1978-2009 vanwege haar werkzaamheden bij de Indonesische ambassade en wijst het beroep op discriminatie af.