ECLI:NL:CRVB:2019:1464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet opgeven woning in Marokko zonder dringende redenen
Appellant ontving bijstand sinds december 2011, maar gaf zijn woning in Marokko niet op, wat leidde tot beëindiging en terugvordering van de bijstand over verschillende periodes. Het college stelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en vorderde de bijstand terug op grond van de Participatiewet.
Appellant voerde aan dat de terugvordering onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen zou hebben, omdat zijn gezin in Marokko in de woning woont en verkoop tot dakloosheid zou leiden. Ook stelde hij dat hij niet over het vermogen in de woning kon beschikken en dat de woning slechts gedeeltelijk aan hem toebehoorde.
De Raad oordeelde dat deze omstandigheden geen dringende redenen vormen om van terugvordering af te zien. De bijstand was verleend op basis van voorlopige voorzieningen en kon teruggevorderd worden zonder voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit. Verder was appellant voldoende in de gelegenheid gesteld zijn standpunten naar voren te brengen.
De aanvraag van appellant voor bijstand vanaf november 2016 werd afgewezen omdat hij vermogen boven de vrijlatingsgrens bezit. De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en wees de hoger beroepen af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens niet opgeven woning in Marokko zonder dringende redenen.