ECLI:NL:CRVB:2019:148

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 januari 2019
Publicatiedatum
17 januari 2019
Zaaknummer
18/1200 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wubo
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek uitbreiding huishoudelijke hulp wegens ontbreken medische noodzaak

Appellant, erkend als burger-oorlogsslachtoffer met psychische invaliditeit, verzocht om uitbreiding van de huishoudelijke hulp van één naar twee dagdelen per week. Verweerder wees dit verzoek af omdat appellant nog in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten en er geen medische noodzaak is voor uitbreiding.

De Raad toetste het besluit aan het geldende beleid en de medische adviezen van twee geneeskundige adviseurs, die concludeerden dat appellant geen noodzaak heeft voor meer dan het toegekende dagdeel. Tijdens het persoonlijk onderhoud bleek appellant diverse lichte huishoudelijke taken nog te kunnen uitvoeren.

Het beroep werd ongegrond verklaard omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat is tot lichte huishoudelijke werkzaamheden en er geen sprake was van (zelf)verwaarlozing of chaotisch gedrag. De Raad zag geen reden voor een second opinion of nieuw medisch onderzoek.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt het beleid omtrent toekenning van huishoudelijke hulp op grond van medische noodzaak en benadrukt het belang van medische adviezen en feitelijke beoordeling van de mogelijkheden van de aanvrager.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van uitbreiding van huishoudelijke hulp wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

18.1200 WUBO, 18/1233 WUBO

Datum uitspraak: 17 januari 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 januari 2018, kenmerk BZ011159873 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2018. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1935, is op grond van psychische invaliditeit erkend als
burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Aan appellant zijn de toeslag op grond van artikel 19 van Pro de Wubo en verschillende voorzieningen toegekend, waaronder de vergoeding van een dagdeel huishoudelijke hulp.
1.2.
In juli 2017 heeft appellant verzocht om uitbreiding van de huishoudelijke hulp naar twee dagdelen per week. Bij besluit van 28 september 2017, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat geen sprake is van een medische noodzaak voor uitbreiding van huishoudelijke hulp. Daarbij is overwogen dat appellant nog in staat is tot het verrichten van de lichte huishoudelijke werkzaamheden.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
2.1.
Verweerder hanteert, voor zover hier van belang, het beleid dat aan een persoon van
70 jaar of ouder, zoals appellant, een vergoeding voor twee dagdelen huishoudelijke hulp
per week kan worden toegekend indien hij op grond van het totaal van zijn medische beperkingen - zowel causale als niet-causale - niet meer in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Een voorziening voor twee dagdelen per week kan ook worden toegekend indien sprake is van causale psychische aandoeningen in combinatie met (zelf)verwaarlozing en/of chaotisch gedrag. De Raad heeft dit beleid al meermalen onderschreven (bijvoorbeeld in de uitspraak van 9 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2493).
2.2.
Verweerder heeft de aanvraag van appellant om advies voorgelegd aan zijn geneeskundig adviseur R. Loonstein, arts. Deze arts heeft op basis van een persoonlijk onderhoud met appellant, waarbij door hem ook zijn betrokken de gegevens van de huisarts en de behandelend psychiater, geconcludeerd dat geen medische noodzaak is voor uitbreiding van het al aan appellant toegekende dagdeel huishoudelijke hulp. Het bezwaar is voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts A.M. Ohlenschlager. Deze arts heeft het advies van Loonstein onderschreven. Ook Ohlenschlager ziet geen medische noodzaak voor meer dan het al eerder toegekende dagdeel huishoudelijke hulp.
2.3.
De Raad ziet geen aanleiding anders te oordelen. Tijdens het persoonlijk onderhoud dat Loonstein met appellant heeft gehad zijn de (on)mogelijkheden van appellant binnen het huishouden voldoende uitgevraagd. Zo wordt gemeld dat appellant in staat is tot het doen van lichte boodschappen, helpt hij met de afwas, stoft hij, verzorgt hij zijn ontbijt en maakt hij geregeld de wasbak en doucheruimte schoon. Dat appellant niet meer in staat is tot het verrichten van lichte huishoudelijke werkzaamheden zoals door hem ter zitting is gesteld, is daarmee onvoldoende aangetoond. Medische gegevens op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de onmogelijkheden van appellant op het gebied van lichte huishoudelijke werkzaamheden ten tijde hier van belang zijn onderschat, zijn immers niet voorhanden. Om die reden heeft verweerder kunnen afzien van een second opinion in de vorm van een nieuw medisch onderzoek zoals op zitting door appellant is bepleit. Nu evenmin is gebleken dat bij appellant sprake is van (zelf)verwaarlozing of chaotisch gedrag bestaat geen medische noodzaak voor meer dan een dagdeel huishoudelijke hulp.
2.4.
Uit 2.3 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2019
(getekend) H. Lagas
(getekend) F. Demiroğlu
md