ECLI:NL:CRVB:2019:1496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering toestemming verhuizing Turkije met behoud Wajong-uitkering bevestigd
Appellant, die de Turkse en Nederlandse nationaliteit bezit en een verstandelijke beperking heeft, vroeg toestemming om met behoud van zijn Wajong-uitkering naar Turkije te verhuizen, omdat zijn ouders daar vanwege familieomstandigheden naartoe wilden verhuizen en hij afhankelijk is van hun zorg. Het UWV wees dit verzoek af op grond van het exportverbod van Wajong-uitkeringen bij verblijf buiten Nederland.
In bezwaar en beroep stelde appellant dat de verhuizing objectief noodzakelijk is vanwege de werkaanvaardingplicht van zijn vader, die een WW-uitkering ontvangt en een baan in Turkije aangeboden kreeg. Tevens betoogde hij dat professionele begeleiding onvoldoende is voor zijn zorgbehoefte. De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de situatie van appellant niet valt onder de hardheidsclausule van het Besluit Beleidsregels, omdat er geen objectieve en dwingende redenen zijn voor het verblijf buiten Nederland.
De Raad verwees naar jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat de vader niet verplicht was een baan in Turkije te accepteren en dat het exportverbod het uitgangspunt blijft. De hardheidsclausule geldt slechts in uitzonderlijke gevallen met zwaarwegende redenen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van toestemming om met behoud van de Wajong-uitkering naar Turkije te verhuizen wordt bevestigd.