ECLI:NL:CRVB:2019:1501
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen brief UWV over beëindiging ziekengeld
Appellante ontving ziekengeld van het UWV, dat op 28 januari 2015 een besluit nam dat zij vanaf 2 februari 2015 weer arbeidsgeschikt was en geen ziekengeld meer zou ontvangen. Op 2 april 2015 stuurde het UWV een brief waarin werd meegedeeld dat het ziekengeld was beëindigd. Appellante maakte bezwaar tegen deze brief, maar het UWV verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen zelfstandig besluit was.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de brief van 2 april 2015 geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de brief wel als besluit moest worden gezien, omdat zij een lopend bezwaar had tegen een eerdere beslissing van oktober 2014. De Raad oordeelde echter dat het ging om verschillende ziektegevallen en dat de brief los stond van het eerdere bezwaar.
Verder was de termijn voor bezwaar tegen het besluit van 28 januari 2015 reeds verstreken toen het bezwaar tegen de brief werd ingediend. De Raad stelde vast dat de feitelijke betaling van ziekengeld door het uitzendbureau geen invloed heeft op het besluitkarakter van de brief. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de brief van 2 april 2015 is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit is in de zin van de Awb.