ECLI:NL:CRVB:2019:1526
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing kostendelersnorm bij langdurig verblijf zoon tijdens woningverbouwing
Appellante ontving bijstand als alleenstaande en meldde dat haar zoon tijdelijk bij haar woonde vanwege een verbouwing van zijn eigen woning. Het college paste de kostendelersnorm toe en verlaagde haar bijstand met ingang van 1 oktober 2016. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat het verblijf van haar zoon slechts tijdelijk was en dat hij niet zijn hoofdverblijf bij haar had. De Raad beoordeelde aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, waaronder de duur van het verblijf en de verklaringen van de zoon, dat het verblijf van ruim tien maanden niet als tijdelijk kan worden aangemerkt.
De zoon verbleef gedurende deze periode hoofdzakelijk bij appellante, sliep en at daar, en kon niet terug naar zijn eigen woning vanwege de verbouwing. Het college had voldoende onderzoek verricht en hoefde geen nader onderzoek te doen. De Raad bevestigde daarom de toepassing van de kostendelersnorm en de verlaging van de bijstand, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toepassing van de kostendelersnorm bevestigd.